Klik op de foto voor een vergroting ![]() |
Een wandeling door Ulestraten in 1873. De wandeling begint bij het verlaten van Geverik en komt Ulestraten binnen in de Vliekereiken en verlaat Ulestraten weer via een voetpad van Waterval naar Raar. Een mooie literaire beschrijving van Ulestraten 135 jaar geleden. Als wij Geverik door zijn, verlaten ons voor een' tijd de groene hagen, de boomgaarden, de bosschen en lanen, de nette huizen en de groote pachthoeven. Wij beklimmen het hooge, vlakke plateau, waar onafzienbare korenvelden zich uitstrekken en enkele schaduwlooze landwegen elkander kruisen. Even boven de golvende zee van halmen verheft zich op eenigen afstand aan onze linkerzijde het torentje van de kerk van Ulestraten. 't Is echter niet eenzaam op de ruime hoogvlakte. Ook hier zijn de maaijers bezig, en de zware karren met hun krachtig voorspan verlevendigen het landschap. Straks, als de oogst van het veld is gehaald, zal 't er stil en doodsch zijn en als hier de herfstwinden gieren en de regen er neerstroomt, dan moet het hier een toonbeeld van verlatenheid zijn. Na eenigen tijd dalen wij langs een' vriendelijken hollen weg tusschen populieren en wilgen af, genaamd de vlieckereikenweg, om allengs het gehucht Vlieck te naderen. 't Heeft minder huizen en minder inwoners dan Geverik, maar de meeste huizen liggen in een rij langs den weg en daardoor heeft het een tamelijke uitgestrektheid. Ook hier vinden wij de bewijzen van welvaart in het voorkomen der arbeiderswoningen en der hofsteden, vooral op het punt, waar de weg van Ulestraten op Meerssen den onzen ontmoet. Aan geboomte ontbreekt het er niet en de hoogten nevens ons zijn rijk en digt begroeid. Maar wat het afgelegen gehucht vooral opmerkelijk maakt, is het schoone kasteel, het Huis te Vlieck, door den Heer Magné, den broeder van den Heer van Horn, bewoond. Het groote witte huis met de daaraan verbonden oeconomie-gebouwen, die een tweetal binnenpleinen insluiten, ligt met den breeden, modernen voorgevel gekeerd naar een' prachtigen lusthof, waarlangs geruimen tijd de weg ons leidt. De achtergrond wordt gevormd door de berghellingen, met statig hout bewassen, en eene aanmerkelijke waterval stort zich naar beneden in de grootsche waterpartij van het park. Breede paden, sierlijke boomen heestergroepen, veelkleurige bloemperken omringen een groote, ompaalde weide, waar runderen en paarden van edele rassen het goede der aarde op hunne wijze genieten. Drong de tijd ons niet tot voortgaan, wij hadden gaarne den toegang tot dit bekoorlijk buitenverblijf gevraagd, wat ons, naar men verzekerde, door de heuschheid des eigenaars niet zou zijn geweigerd. Nu moeten wij ons daarvan spenen, tevreden, dat het ijzeren hek op den lagen steenen muur althans het vrije gezigt over het geheel vergunt. Boven de toppen der boomen op den berg steekt een steenen toren uit, alsof 't de wachttoren ware van een' ridderburgt, die daar boven op de mergelrots troont, of liever nog, als een dier geheimzinnige, smalle, vensterlooze gebouwen, die in Engeland eeuwen geleden voor eene overoude eeredienst werden gebezigd. Wij behoeven er echter dergelijke romantische herinneringen niet aan te verbinden. Met de offerplegtigheden van heidensche voorvaderen, noch met den zetel van een middeleeuwsch riddergeslacht heeft dit gevaarte iets gemeen. 't Is eenvoudig een schoorsteen van een beetwortelsapfabriek, daar gebouwd, om beter te ‘trekken’, thans in ruste, want de fabriek zelve is gesloopt. Eenige arbeiderswoningen, die er bij behoorden, vinden wij op de open ruimte, waarover het zijpad naar Raar zich van den weg op Meerssen afbuigt. Wij volgen het langs den rand van den berg, door een bosch- en waterrijke landstreek. Het ruime uitzigt op de blaauwe, golvende hoogten, achter elkander oprijzend in de verte, verliezen wij, maar andere schoonheden komen daarvoor in de plaats. Talrijke bronnen ontspringen in de begroeide hellingen; kleine watersprankjes blinken tusschen het malsche gras en kruisen ons pad, om zich te vereenigen met het beekje, dat nevens ons voortbruist. In het dal liggen korenvelden en weiden, met boschjes en verspreide boomen bezaaid. Enkele roode daken wijzen in dit eenzaam oord de ver uiteengelegen woonplaatsen van menschen aan. Dennen met uitstekende en overhangende wortels klimmen tegen de heuvels op. Esschen en populieren vormen een groene laan, onder wier gewelf wij voortwandelen. 't Is een vreemd en wild landschap, dat wel den arbeid der menschenhand verraadt, maar toch den indruk geeft van niet meer - welligt nog iets minder - dan de eerste en meest onmisbare zorg aan ontginning en beheersching besteed. De natuur blijkt er mild en weelderig genoeg, maar zij schijnt hier te veel aan zich zelve overgelaten, om de vruchten te geven, die zij voortbrengen kon. Wij danken daaraan intusschen een aantal fraaije land- en boschgezigten. Zoo komen wij in het gehucht Waterval. Van de twintig huizen, die het gehucht moet bezitten, zien wij er drie, - een pachthoeve en een paar vervallen, armoedige hutten. Van de ruim honderd inwoners die er leven, ontwaren wij er twee - een oud, stokdoof man, die ons wezenloos aanstaart en een bejaarde, in lompen gehulde vrouw, die het mag zegenen, dat zij in de 19de eeuw leeft. In de dagen der heksenprocessen zou zij den vuurdood niet zijn ontgaan. Haar welwillendheid verdient dan ook beter lot. Onder hevig geschreeuw en met de heftigste gesticulaties vergezelt zij ons door de drassige weide, over een paar vonders, - over de beek geworpen boomstammen, - en door het digte kreupelhout naar den voet der hoogte, waartegen het smalle, steile pad naar Raar opklimt. ‘Daar, daar, daar,’ gilt zij, terwijl de dreigend uitgestoken vinger het pad aanwijst en de magere, gebruinde voorarm rusteloos heen en weêr vliegt. Wie haar zóó had gezien, zou gemeend hebben, dat de bitterste haat zich in de hartstogtelijkste vervloeking lucht gaf. Toch wijst ze ons eenvoudig den weg. Hoe zou het zijn, als zij eens werkelijk in ziedende drift was ontstoken! Daar tintelt zuidelijk bloed in die dochter van Limburg! Of die doove, suffe man is haar echtvriend, en deze blakende opgewondenheid heeft zij geleerd door de behoefte om zich door hem te doen verstaan. Meer dan een pad voor maaijers is het wegje niet. Maar 't is veel nader, dan de groote weg, en terwijl wij opstijgen, langs hagen en eikenwallen, tusschen weilanden en akkers, worden wij op prachtige vergezigten vergast. Een donker, glooijend bosch bedekt de vallei nevens ons en daarachter legeren zich bebouwde hoogvlakten, door breede, ten deele zigtbare dalen van elkander gescheiden. Blaauwe bergen in het verschiet teekenen hun krachtige tinten tegen den helderen hemel af, en hoog op een' der heuvelen schitteren de witte muren van een groot landhuis of klooster, met een' toren uit het dak, in den gloed der dalende zon. De ernstige schoonheid van het berglandschap, zooals dit gedeelte van Limburg er zoovelen heeft aantebieden, ontrolt zich voor ons oog, totdat een lange muur ter eene, een boomgaard ter andere zijde ons alle zigt ontneemt. We zijn in Raar......................... ![]() |
*Home *Geschiedenis *Wapen *Heerlijkheid *Kerk *Wandeling 1873 *Ulestraterhof *Wijngaardshof *Kasteel Vliek *Kapellen *Wegkruizen *Buurten *Links |